2011/149/CBE
Beroep tegen de uitspraak van het CBE van de Universiteit Utrecht, waarbij het beroep tegen de beslissing van de examencommissie Farmacie om appellante voor 12 maanden uit te sluiten van onderwijs en examens aan die opleiding wegens fraude, ongegrond is verklaard
| Zaaknummer: | 2011/149 |
|---|---|
| Zittingsdag: | Woensdag 26 oktober 2011 |
| Datum uitspraak: | 26-10-2011 |
| Trefwoorden: | |
| Artikelen: |
Hoofdoverwegingen:
: 2.4.1.Voorafgaande aan de toets zijn de studenten
geïnformeerd over wat van hen verwacht werd: het schrijven van een samenvatting van een artikel dat bij aanvang van de toets aan de studenten wordt uitgereikt. De stelling van appellante dat zij zich op enkele met name genoemde artikelen van een bepaalde auteur heeft geconcentreerd omdat medestudenten er op hadden gewezen dat die het meest waarschijnlijk voorgelegd zouden worden, is niet alleen niet aannemelijk gemaakt reeds nu zij in geen enkel opzicht feitelijk is onderbouwd, maar ook ongeloofwaardig. Het aantal mogelijke artikelen waaruit door de examinator gekozen kon worden is daarvoor te groot. Daarbij heeft de examinator verklaard dat vooraf geen kenbaarheid is gegeven welke artikelen van welke auteur voorgelegd zouden worden.
2.4.2. Het CBE heeft de door de examencommissie aangevoerde feiten en omstandigheden op grond waarvan fraude wordt aangenomen genoegzaam eenduidig en daadkrachtig geacht. Dat is gebaseerd op het na de toets uitgevoerde deskundigenonderzoek en een latere aanvulling daarop. Hetgeen appellante heeft aangevoerd vormt in geen enkel opzicht een weerlegging daarvan daarbij is nog van belang de discrepantie tussen de originele samenvatting en het artikel. Dat wijst op exclusieve voorkennis en het tijdens het tentamen beschikbaar hebben van het artikel. De voorzitter acht de motivering van het CBE dan ook niet onbegrijpelijk en evenmin anderszins onjuist en is van oordeel dat het CBE daarmee de fraude voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
(…)
2.4.4. Mede in aanmerking genomen dat appellante al eerder een opgelegde sanctie heeft gekregen, terwijl niet valt in te zien dat vanwege tijdsverloop die sanctie niet meer in beschouwing zou mogen worden genomen, is gelet op de ernstige fraude waaraan appellante zich schuldig heeft gemaakt, het CBE niet gehouden de opgelegde maatregel disproportioneel te achten. De voorzitter meent dan ook in het midden te mogen laten of de examencommissie door artikel 5.12, vierde lid onderdeel c van het reglement gebonden kan worden, dit te meer daar het CBE wel op de evenredigheid is ingegaan. Ook overigens is de voorzitter niet gebleken dat het CBE de beslissing van de examencommissie wegens strijd met het recht had moeten vernietigen.
Downloads
2011149 en 149.1.pdf (40.21 KB)
