2011/207.1
Verzoek om een voorlopige voorziening in zaak 2011/207, inhoudende dat verzoeker tot dat in de bodemzaak is voorzien aan het onderwijs van de masteropleiding kan deelnemen.
| Zaaknummer: | 2011/207.1 |
|---|---|
| Zittingsdag: | Donderdag 26 januari 2012 |
| Datum uitspraak: | 30-01-2012 |
| Trefwoorden: | |
| Artikelen: |
Hoofdoverwegingen:
2.2.2. De examencommissie pleegt, nadat inzage in een tentamen heeft plaatsgevonden bij een verzoek om een tweede inzage, daartoe niet eerder over te gaan dan nadat een tweede beoordelaar het tentamen heeft beoordeeld. Indien deze eveneens tot een onvoldoende beoordeling komt, wordt het verzoek afgewezen. De taak van de coördinator bestaat er uit hier op toe te zien.
2.2.3. De WHW noch de Onderwijs- en Examenregeling van de opleiding staat aan deze handelwijze in de weg. Voorts is geen plaats voor het oordeel dat zij kennelijk onredelijk is. Ook de wijze waarop de examencommissie aan dat beleid uitvoering heeft gegeven is niet onzorgvuldig. Voordat het beroep door het CBE is behandeld heeft de examencommissie in casu de coördinator het tentamen wederom door twee andere examinatoren onafhankelijk van elkaar, laten nazien. Er trad daarbij geen wijziging op in de beoordeling. Deze bleef staan op 5.3, onvoldoende.
2.2.4. De voorzitter is van oordeel dat het CBE in het betoog van appellant terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat in afwijking van het reglement en de daarop gebaseerde handelwijze de examencommissie appellant een tweede inzage op het tentamen had moeten toestaan.
Voorts is het de voorzitter niet gebleken dat bijzondere omstandigheden de examencommissie hadden moeten nopen af te wijken van haar gebruikelijke handelwijze.
2.2.5. Op 18 juli 2011 is door de examencommissie aan appellant meegedeeld dat hem geen andere inzagemogelijkheden werden geboden. Nu appellant geen toezegging is gedaan dat hem een andere mogelijkheid zou worden geboden en hij, voorafgaand aan de geboden inzagemogelijkheid, op de hoogte was dat hem geen andere mogelijkheid zou worden geboden, heeft het CBE de weigering terecht niet in strijd geacht met een gerechtvaardigd vertrouwen of met de rechtszekerheid.
Downloads
2011207207 1.pdf (29.44 KB)
